Geschiedenis Volkspetitionnement van 1878

Het Volkspetitionnement van 1878 staat in de lange geschiedenis van de Nederlandse strijd rond het openbaar en bijzonder lager onderwijs. In 1877 draaiden de parlementaire verkiezingen grotendeels rond het Nederlandse onderwijsbeleid. De liberalen wonnen de verkiezingen nipt, waarna minister Johannes Kappeyne van de Coppello een concept voor een nieuwe onderwijswet indiende. Hierin werd bepaald dat het openbare onderwijs strikt neutraal moest zijn. De leerlingen moesten wel worden opgevoed in ‘alle Christelijke deugden’, maar voor godsdienstonderwijs van kerkelijke zijde was geen plaats. Verder werden er allerlei eisen aan schoolgebouwen en lesniveau gesteld. Dertig procent van de kosten zou door het rijk worden betaald, de rest door de gemeenten. In het geval van de bijzondere scholen moest deze 70 procent door de ouders zelf worden opgebracht.

Abraham Kuyper
Abraham Kuyper
Johannes Kappeyne van de Coppello
Johannes Kappeyne van de Coppello

Deze wet, die vanwege de verhoudingen in het parlement zeker zou worden aangenomen, was een tegenslag voor orthodoxe protestanten en katholieken. Protestanten hadden al jaren, vanaf 1857, gepleit voor christelijk basisonderwijs. In het Antischoolwetverbond en later in de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs was gestreden voor een expliciet christelijke school. In maart 1878 werd het nieuwe concept van de onderwijswet bekend. Kuyper reageerde hierop door voorbereidingen te treffen voor een brede petitie onder het volk. Hij wilde uit ‘gewetensnood’ een kreet uiten aan het adres van de koning. Het christelijke volk riep als het ware de Oranjevorst te hulp om de politieke en financiële erkenning van het christelijk onderwijs mogelijk te maken.

Vanuit katholieke hoek werden de acties van protestantse zijde nauwlettend gevolgd, zo blijkt uit vele verslagen en berichten in het dagblad De Tijd. Op 4 mei verscheen het bericht over de druk bezochte vergadering Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs in Utrecht. Later in de maand mei wordt bericht dat de commissie voor het Volkspetitionnement een circulaire heeft verzonden aan alle hervormde, gereformeerde en lutherse kerkenraden met de oproep om deel te nemen aan de petitie én ‘de localiteit van hun kerkgebouwen en vertrekken voor de uitvoering van het petitionnement beschikbaar te stellen’. En op 6 juni 1878 wordt uitgebreid de instructie die de voorbereidingscommissie voor de protestantse petitie had opgesteld weergegeven in De Tijd. Om te illustreren hoe grondig de commissie in het werk ging werd zelfs een deel van de instructies letterlijk overgenomen.

Op 17 juni, dus nog vóórdat de protestantse petitie getekend was, werd een katholieke petitie uitgeschreven die ter ondertekening aan alle katholieke hoofden van huisgezinnen moest worden ondertekend. De petitie was gericht aan de Tweede Kamer. Meteen bij deze eerste aankondiging wordt gemeld dat, wanneer de Tweede Kamer niet luistert naar de wens van de petitionarissen, er een adres naar de Eerste Kamer zal worden verzonden. Mocht dat óók niet baten, dan zou een adres naar de Koning het laatste middel zijn. Uiteindelijk haalden de katholieke petitie ana de Tweede Kamer 148.000 handtekeningen, die aan de Eerste Kamer bijna 168.000 en aan de Koning werden op 8 augustus 1878 164.000 katholieke handtekeningen naar de Tweede Kamer verzonden.

De organisatie van het protestantse petitionnement was een geoliede machine. In enkele maanden tijd slaagde Kuyper erin om via kerkenraden, dag- en weekbladen, bidstonden en strooibiljetten het orthodox-protestantse volksdeel te mobiliseren. In de week van 20 juli 1878 ondertekenden ruim 305.000 protestanten het petitionnement. Via plaatselijke Comités en contactpersonen van Kuyper werd een zo breed mogelijk volksdeel aangesproken.

Uiteindelijk werden de lijsten met protestantse handtekeningen op 3 augustus 1878 door een delegatie van 22 adellijke personen aan koning Willem II aangeboden. Ondanks de hartelijke woorden die de koning sprak tegen de delegatie, tekende hij op 17 augustus de onderwijswet. Hoewel een andere uitkomst nauwelijks denkbaar was, betekende dit een zware klap voor ondertekenaars van de petitie. Niet de koning kreeg de schuld, maar zijn raadgevers. Het Volkspetitionnement was niet tevergeefs, want het gaf stem aan 305.000 protestanten en 164.000 katholieken, die door het beperkte kiesrecht geen invloed hadden in de Nederlandse politiek.

Welke bevolkingsgroepen er precies achter deze democratische actie schuilging, hoopt het onderzoeksteam door middel van de digitalisering van de handtekeningen scherper in beeld te krijgen.

Meer weten?

Lees verder in allerlei historische publicaties. Via deze beknopte bibliografie kunt u uw weg vinden.